17.06
2019

Het mobiliteitsbudget is een feit

Invoering van het mobiliteitsbudget

Het initiatief voor de invoering van een mobiliteitsbudget gaat uit van de werkgever. De werknemer beslist dan zelf om al dan niet in te gaan op het aanbod van de werkgever. Indien hij ervan wil genieten, moet hij een schriftelijke aanvraag indienen bij de werkgever. De werkgever moet op zijn beurt zijn beslissing schriftelijk ter kennis brengen van de werknemer. De formele aanvraag van de werknemer en de positieve beslissing van de werkgever om op de aanvraag in te gaan, vormen een overeenkomst die deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst. Deze overeenkomst wordt voorafgaandelijk aan de eerste uitbetaling van het mobiliteitsbudget opgesteld en vermeldt o.a. het initiële bedrag van het mobiliteitsbudget en het feit dat de werknemer de fiscale vrijstellingen voor woon-werkverplaatsingen niet meer kan genieten.


Voorwaarden

Werkgever
De werkgever kan een mobiliteitsbudget enkel invoeren indien hij gedurende een ononderbroken periode van minstens 36 maanden, onmiddellijk voorafgaand aan de invoering van het mobiliteitsbudget, één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking stelde van één of meerdere werknemers. Voor startende werkgevers telt de minimumtermijn van 36 maanden niet.

Werknemer
De werknemer kan een aanvraag doen om een bedrijfswagen in te ruilen voor een mobiliteitsbudget op voorwaarde dat hij:
• op het moment van de aanvraag minstens 3 maanden ononderbroken over een bedrijfswagen beschikt of ervoor in aanmerking komt bij de huidige werkgever én;
• in de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag minstens 12 maanden over een bedrijfswagen beschikt of heeft beschikt of ervoor in aanmerking komt bij de huidige werkgever.


De minimumtermijnen van 3 en 12 maanden gelden niet bij aanwerving van een nieuwe werknemer of in geval van een promotie of functiewijziging die zich voordeed vóór 1 maart 2019.

Gebruik en functionering
De werknemer kan kiezen tussen één of meer van de volgende 3 pijlers:


Pijler 1: milieuvriendelijke bedrijfswagen
Binnen pijler 1 kan hij kiezen voor een bedrijfswagen die minstens even milieuvriendelijk is als het voertuig waarover hij beschikte. Dit betekent dat het gaat om:
• een elektrische wagen;
• een wagen met een maximale CO2-uitstoot van 105 g per km (grens voor 2019), waarvan de aan te merken emissienorm voor luchtverontreinigende stoffen minstens overeenstemt met de norm voor nieuwe voertuigen of met een latere norm.


De wagen ondergaat de gewone sociale en fiscale behandeling van een klassieke bedrijfswagen.


Pijler 2: alternatieve vervoermiddelen
Het deel van het mobiliteitsbudget dat niet gebruikt werd voor de financiering van een bedrijfswagen en de daarmee gerelateerde kosten, wordt ter beschikking gesteld van de werknemer voor de financiering van duurzame vervoermiddelen. Het kan gaan om de volgende duurzame vervoermiddelen:
• zachte mobiliteit (aankoop, huur, leasing, onderhoud en
verplichte uitrusting): rijwielen en motorfietsen;
• openbaar vervoer: abonnementen en vervoersbewijzen;
• georganiseerd gemeenschappelijk vervoer;
• deeloplossingen;
• mobiliteitsdiensten die een combinatie zijn van voormelde
duurzame vervoermiddelen;
• huisvestingskosten;
• kilometervergoeding toegekend voor verplaatsingen met
de fiets en terbeschikkingstelling van een bedrijfsfiets.


Het bedrag dat de werknemer binnen deze pijler spendeert, is volledig vrijgesteld van socialezekerheidsbijdrage en bedrijfsvoorheffing.

Pijler 3: saldo
Het saldo dat de werknemer niet gebruikt, wordt één keer per jaar in geld uitbetaald, uiterlijk samen met het loon van de eerste maand van het daaropvolgende jaar.


Het bedrag dat in aanmerking komt voor uitbetaling in geld wordt onderworpen aan een specifieke sociale bijdrage van 38,07% ten laste van de werknemer.

Berekening van het mobiliteitsbudget
Het bedrag van het mobiliteitsbudget komt overeen met:
• de jaarlijkse bruto kosten van de bedrijfswagen voor de werkgever;
• de fiscale en parafiscale lasten;
• de daarmee gerelateerde kosten (financieringskosten, brandstofkosten, …).


Bij een functiewijziging of een promotie van een werknemer kan het mobiliteitsbudget verhoogd of verlaagd worden indien de nieuwe functiecategorie in een hoger of lager budget voorziet.


De werkgever is niet verplicht om het mobiliteitsbudget te indexeren. Hij mag een eigen indexmechanisme uitwerken, maar dan moet de indexering beperkt worden tot de loonindexering van toepassing in de sector.


Het mobiliteitsbudget komt in aanmerking voor de loonnorm.


Stopzetting mobiliteitsbudget
De toekenning van het mobiliteitsbudget eindigt uiterlijk de eerste dag van de maand waarin de werknemer:
• een functie uitoefent waarvoor geen bedrijfswagen voorzien is in het loonsysteem van de werkgever;
• over een mobiliteitsvergoeding (cash for car) beschikt;
• over een klassieke bedrijfswagen beschikt, dus een andere bedrijfswagen dan diegene die hij eventueel gekozen heeft in de eerste pijler.


Gevolgen voor de verplaatsingsvergoedingen
Als de werknemer een mobiliteitsbudget krijgt, dan vervalt de verplichting voor de werkgever om een verplaatsingsvergoeding toe te kennen en dit ongeacht het gebruikte vervoermiddel.

Als de werkgever toch zou tussenkomen in de verplaatsingskosten of een bedrijfsfiets ter beschikking stelt, dan worden deze vergoedingen en voordelen onderworpen aan socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing. Hierop bestaat één uitzondering: wie (het recht op) de klassieke bedrijfswagen al minstens 3 maanden vóór de aanvraag van het mobiliteitsbudget cumuleerde met een vrijgestelde verplaatsingsvergoeding of –voordeel, kan dit blijven combineren met behoud van de bijhorende specifieke sociale en fiscale behandeling.


U kan een uitgebreide brochure met betrekking tot het mobiliteitsbudget terugvinden op de klantenzone van het sociaal secretariaat via www.clbgroup.be/klantenzone

Heeft u een vraag?

Wij helpen u graag verder!

Evy Custers

Verantwoordelijke CLB Consult
Contacteer ons
CLB Group
Industrieterrein Kolmen 1085 - 3570 Alken
011 31 23 41
011 31 45 67
Openingsuren

Sociaal Secretariaat
maandag - donderdag: 8u - 12u en 13u - 16u30
vrijdag: 8u - 12u en 13u - 15u

Externe Preventie
maandag - vrijdag: 8u - 12u en 13u - 16u30