Wanneer een werknemer overuren presteert, moet je hem daarvoor meestal inhaalrust laten opnemen. Deze inhaalrust moet binnen een bepaalde referteperiode worden opgenomen. Die bedraagt in principe één trimester, maar kan bij koninklijk besluit, cao of arbeidsreglement worden verlengd tot één jaar.
Door inhaalrust op te nemen, wordt de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur — meestal 38 uur — over de referteperiode gerespecteerd. Op het einde van die periode moet de teller van de inhaalrust opnieuw op nul staan.
Het aantal te recupereren overuren mag bovendien niet onbeperkt oplopen. De wet legt hiervoor een interne grens op van 143 uur, ongeacht de referteperiode. Deze grens kan worden verhoogd. Zodra de interne grens is bereikt, moet de werknemer eerst inhaalrust opnemen voordat hij binnen de referteperiode nieuwe overuren mag presteren.
Als werkgever besteed je hier het best de nodige aandacht aan. De naleving van de arbeidsduurgrenzen is immers een van de aandachtspunten van de inspectiediensten.
Vrijwillige overuren vormen een uitzondering op deze regels. Een werknemer kan per kalenderjaar 360 vrijwillige overuren presteren, verdeeld als volgt:
240 netto-overuren: voor deze uren is geen overloon verschuldigd
120 overuren met overloon: voor deze uren geldt een toeslag van 50% op weekdagen en op zaterdag, en van 100% op zon- en feestdagen
Voor werknemers in de horeca (PC 302) geldt nog een afzonderlijke regeling inzake vrijwillige overuren.
Geen van deze vrijwillige overuren geeft recht op inhaalrust. Ze tellen ook niet mee voor de interne grens.
:focal())
:focal())
:focal())
:focal())