06.09
2023

Het Metabool Syndroom: een taak voor de arbeidsarts?

Voordat we deze vraag kunnen beantwoorden moeten we natuurlijk weten welke taken een arbeidsarts heeft en wat een metabool syndroom is. De taak van een arbeidsarts is van preventieve aard. Hij of zij helpt bij het voorkomen van beroepsziekten en arbeidsongevallen en bij het voorkomen van werkgebonden aandoeningen.

Hij/zij bekommert zich om zwangere werkneemsters, zorgt ervoor dat werknemers gevaccineerd worden enz. Ook buiten het specifiek arbeidsdomein heeft hij of zij een taak in de bewaking van de algemene gezondheid van de werknemers. Artikel I.4-19 van de Codex over het Welzijn op het Werk bepaalt immers dat de arbeidsarts de werknemers op de hoogte brengt van afwijkingen die hij ter gelegenheid van zijn onderzoek heeft vastgesteld.

De werknemer moet ook raadgevingen krijgen, die verantwoord worden door zijn gezondheidstoestand. Tenslotte stelt de wetgever dat de arbeidsarts de werknemer, bij wie hij/zij een aantasting van de gezondheidstoestand vaststelt, verzoekt zijn behandelend arts te raadplegen.

Mits de werknemer hiermee instemt, verschaft hij/zij de behandelende arts alle nuttige informatie. Dat alles maar om te zeggen dat de arbeidsarts zich niet ‘uitsluitend’ met arbeidsgebonden zaken bezighoudt. Stelt hij/zij bijvoorbeeld vast dat de werknemer een verhoogde bloeddruk heeft, dan zal hij/zij hem daarvan op de hoogte stellen en hem aanraden zijn/haar huisarts te raadplegen.

Tweede deel van de vraag is dan: wat is het ‘Metabool Syndroom’? Dit syndroom is geen beroepsziekte. Het is ook geen nieuwe ziekte, de term bestaat al sinds de jaren 80 van de vorige eeuw. Strikt genomen is het ook geen ziekte maar een ‘syndroom’, een verzameling van verschijnselen die vaak in combinatie optreden en dan ook dikwijls als eenheid worden beschouwd. Syndromen krijgen nog al eens de naam van de wetenschapper die het eerst het verband tussen de verschillende verschijnselen opmerkte. Zo kent men in de geneeskunde het syndroom van Turner, Klinefelter, Gilbert, Sjögren, Cushing, Raynaud… Het Metabool Syndroom wordt ook wel eens het insulineresistentiesyndroom, het stofwisselingssyndroom of Syndroom X genoemd. Al is het dus geen beroepsziekte, toch kan de arbeidsarts een rol spelen in de opsporing en de preventie van dit syndroom.

Het Metabool Syndroom is dus zeker een taak voor de arbeidsarts. Wanneer hij vaststelt dat de werknemer aan het syndroom lijdt, of hieraan zou kunnen lijden, zal de arbeidsarts niet nalaten hem/haar daarvan op de hoogte te brengen en hem/haar voor de verdere diagnose, behandeling en opvolging te verwijzen naar zijn of haar behandelend geneesheer.

WAT IS HET ‘METABOOL SYNDROOM’?
Vooraleer we over preventie en behandeling kunnen spreken, moeten we eerst uitleggen wat de term eigenlijk inhoudt. Het Metabool Syndroom is een verzameling cardiovasculaire risicofactoren die, als ze samen voorkomen, het risico op hartvaatziekten (inclusief plotse dood) en type-2 diabetes serieus verhoogt:

  • abdominale obesitas (een te grote buikomtrek);
  • hoge bloedsuiker;
  • lage waardes van HDL-cholesterol;
  • hoge waardes van triglyceriden;
  • hoge bloeddruk.

Wanneer men drie van deze factoren combineert, verdubbelt het risico op een hartvaataandoening (hersenbloeding, hartinfarct…). Meestal stelt men dat abdominale obesitas in combinatie met twee andere factoren als ‘Metabool Syndroom’ kan worden bepaald. Logischerwijze verhoogt het risico in functie van afwijking van de grenswaarden en van het aantal ‘risicofactoren’ dat iemand combineert. M.a.w. iemand die vier of vijf afwijkende waarden heeft, loopt nog een groter risico of hartvaatziektes of diabetes. Iemand wiens waarden de limieten maar met een fractie overschrijden, loopt een kleiner risico dan iemand die een grote afwijking vertoont. Maar aan welke waarden zou men zich dan het best houden?

ABDOMINALE OBESITAS
Abdominale obesitas, in mensentaal een ‘dikke buik’, wordt ook wel eens beschreven als een appelvormige lichaamsbouw. Bij een appelvormig lichaam concentreert het vet zich rond het middel, de taille. Bij een peervormig lichaam zit het vet lager, rond de heupen. Deze vorm zou geen bijkomend risico
geven. M.a.w. beter een ‘dik gat’ dan een ‘dikke buik’. De buikomvang meten kan men zelf ook doen, daarvoor is niet echt een arts nodig. Men moet alleen de juiste meetmethode aanhouden:

  • ga rechtop staan;
  • breng een meetlint aan rond je middel, op de blote huid;
  • trek het meetlint niet te strak aan;
  • let op de juiste plek: meet de middelomtrek tussen de onderste rib en de bovenkant van je bekken, ongeveer ter hoogte van de navel;
  • meet op het einde van een normale uitademing.

Er zijn 2 limieten vastgelegd voor buikomtrek en dit zowel voor mannen als voor vrouwen. De bovengrens bedraagt voor mannen 94 cm en voor vrouwen 80 cm. Boven deze waardes neemt het risico op hartvaatziekten en diabetes toe. Een tweede grens, waarboven het risico aanzienlijk stijgt, bedraagt 102 cm voor mannen en 88 cm voor vrouwen. Voor het Metabool Syndroom wordt de onderste limiet gehanteerd: 94 cm voor mannen en 80 cm voor vrouwen.

HOGE BLOEDDRUK
Bloeddruk meten is van oudsher een medische handeling geweest. Het was de dokter of de verpleegkundige die de bloeddruk mat. Tegenwoordig bestaan er zeer goede, betrouwbare apparaten die ook door de leek kunnen gebruikt worden. Zeker in het opvolgen van de bloeddruk en om ‘Witte jassen hypertensie’ te onderscheiden van echte hypertensie kunnen deze toestellen zeer waardevol zijn. Witte jassen hypertensie of hoge bloeddruk wordt vaak gebruikt als term om te verklaren dat er bij veel patiënten een hogere bloeddruk wordt gemeten bij de dokter dan ze normaal gesproken hebben in de thuissituatie, bij zelfmeting bijvoorbeeld.

In verband met het Metabool Syndroom spreken we van een te hoge bloeddruk wanneer de systolische bloeddruk (ook wel eens de ‘bovendruk’ genoemd) hoger is dan 135 mmHg en de diastolische bloeddruk (de ‘onderdruk’) hoger dan 85 mmHg. In Vlaanderen wordt de bloeddruk nog vaak in centimeter kwikdruk uitgedrukt: we spreken dan van een bloedruk van 13,5 over 8,5. Ook wanneer men medicatie tegen te hoge bloeddruk neemt, telt dit criterium als positief.

LAGE WAARDES VAN HDL- CHOLESTEROL
Dat cholesterol slecht is voor onze gezondheid, dat het verantwoordelijk is voor ‘aderverkalking’ is intussen voor de meeste mensen een gekend iets. Minder bekend is dat we niet alleen slechte maar ook goede cholesterol hebben. LDL-cholesterol (lage-densiteit-lipoproteïne) is de slechte soort: hoe lager de concentratie in het bloed, hoe beter. LDL-cholesterol zet zich namelijk af tegen de wanden van de bloedvaten en doet ze dichtslibben. HDL-cholesterol is bekend als ‘goede’ cholesterol. Deze soort helpt namelijk bij het verwijderen van cholesterol uit het bloed. Het vervoert de cholesterol naar de lever waarlangs hij uit het lichaam wordt verwijderd. Hier geldt dan ook over het algemeen, hoe hoger de waarde, hoe beter. In de definitie van het Metabool Syndroom hanteert men ondergrenzen van 40 mg/dl voor vrouwen en 50 mg/dl voor mannen. Ook hier telt het criterium weer mee als men medicatie neemt om zijn cholesterol onder controle te houden.

HOGE WAARDES TRIGLYCERIDEN
Triglyderiden of vetten komen in het bloed terecht via de voeding. Ze dragen ook bij aan het ontstaan van aderverkalking. Het effect is wel minder duidelijk dan dat van LDL-cholesterol. Wel is het zo dat verhoogde waardes voor triglyceriden vaak samengaan met verhoogde cholesterolconcentraties. Belangrijk in dit verband is dat het niet enkel het vet uit de voeding is dat zich in verhoogde triglyceriden manifesteert. Als het lichaam een teveel aan zetmeel, suikers en alcohol binnenkrijgt, zal het deze omzetten in vetten, in triglyceriden dus. Ons lichaam probeert op deze manier dit teveel op te slaan als een soort reserve, voor in slechtere tijden. Wanneer de concentratie aan triglyceriden hoger is dan 150 mg/dl betekent dit dat we het als moeten meerekenen in de diagnose van het Metabool Syndroom.

HOGE BLOEDSUIKER
Bloedsuiker is bij veel mensen bekend door suikerziekte of diabetes. In het kader van het Metabool Syndroom spreken we van een te hoge bloedsuiker als de nuchtere glucosewaarde hoger is dan 100 mg/dl. Het betreft hier dus wel duidelijk een meting wanneer de patiënt nuchter is. Ook als men medicatie neemt om zijn bloedsuiker te verlagen wordt dit criterium als positief aangeduid.

OORZAKEN EN RISICOFACTOREN VOOR HET METABOOL SYNDROOM
De twee voornaamste oorzaken zijn zwaarlijvigheid of obesitas en inactiviteit. Deze twee factoren gaan trouwens vaak samen. Ook insulineresistentie speelt een rol in de ontwikkeling van het syndroom. In normale omstandigheden zal het spijsverteringssysteem suikers en zetmeel in het bloed opnemen. Door de insuline die in de alvleesklier wordt geproduceerd, zullen deze suikers in de cellen van het lichaam worden opgenomen. Het lichaam zorgt er op deze manier niet alleen voor dat de cel zijn brandstof krijgt, maar ook dat de bloedsuikerconcentratie niet te hoog wordt. Bij mensen met insulineresistentie verloopt dit proces niet naar behoren.
De suikers worden moeilijk door de cellen opgenomen, ook al gaat het lichaam meer insuline produceren. De concentratie aan suikers in het bloed zal dan ook toenemen. Op termijn kan deze toestand tot diabetes type 2 (ouderdomsdiabets) leiden. Insulineresistentie wordt enerzijds veroorzaakt door overgewicht en een ongezonde levensstijl (ongezond eten, weinig lichaamsbeweging, onvoldoende slaap…). Er speelt anderzijds ook een erfelijke factor mee: sommige mensen zullen het sneller ontwikkelen dan anderen.

Een aantal factoren maken dat het risico op het Metabool Syndroom verhoogt:

  • leeftijd: hoe ouder men wordt, des te meer kans op Metabool Syndroom;
  • geslacht: het komt iets meer voor bij mannen, maar na de menopauze stijgt ook het percentage bij vrouwen en worden de verschillen kleiner;
  • obesitas: hoe hoger de BMI (body mass index), des te groter de kans dat er ook abdominale obesitas is en des te groter de kans dat cholesterol- en triglyceridenwaardes afwijkend zijn. Anderzijds is de BMI niet altijd risicobepalend: sommige mensen met een hoog BMI hebben geen risico op het metabool Syndroom, terwijl anderen met een normaal BMI wel in de risicogroep vallen;
  • diabetes.

FREQUENTIE
Het Metabool Syndroom is niet echt een zeldzaam fenomeen. Schattingen naar het voorkomen lopen sterk uiteen afhankelijk van het land, de leeftijd, het geslacht, de oorsprong… Voor België bestaan er geen duidelijke cijfers, maar afgaande op andere landen mogen we ervan uitgaan dat het syndroom voorkomt in een groot deel van de bevolking. Afhankelijk van leeftijd (meer bij ouderen) en geslacht (meer bij mannen), kan het cijfer oplopen tot 25%. Als we weten dat ongeveer de helft van de volwassen bevolking met overgewicht kampt en dat ongeveer 25% van de volwassen bevolking te maken heeft met een verhoogde bloeddruk (al dan niet behandeld), is dit cijfer ook niet echt verwonderlijk.

DE GEVOLGEN OF GEVAREN VAN HET METABOOL SYNDROOM
De grootste risico’s verbonden aan het Metabool Syndroom zijn hart- en vaatziekten: beroertes (‘hersenbloeding’), hartinfarct (met eventueel plotse dood), etalagebenen (verstopte slagaders in de benen) komen al vlug twee keer vaker voor bij mensen met dit syndroom. Ook zal men sneller diabetes type 2 ontwikkelen: hier ligt het risico zelfs 5 keer zo hoog. Er bestaan ook aanwijzingen dat er een verband is met slaapapneu, levercirrose, depressie en de ziekte van
Alzheimer.

WAT KAN JE ER AAN DOEN?
Het lijkt een beetje afgezaagd, maar de maatregelen die iets aan het Metabool Syndroom kunnen doen, zijn deze die we al zo vaak gehoord hebben:

  • een gezonde en evenwichtige voeding moet en kan helpen om gewicht te verliezen;
  • voldoende bewegen: probeer per dag 30 minuten matig intensief te bewegen. Dit hoeft echt geen topsport te zijn. Een fikse wandeling, met de fiets naar het werk, vaker de trap nemen, tuinieren… kunnen al veel invloed hebben zonder dat ze beslag leggen op onze kostbare tijd.
  • stoppen met roken. Dit behoeft waarschijnlijk weinig bijkomende uitleg;
  • voldoende slaap en regelmatige ontspanning;
  • correctie van de afwijkende waarden die de diagnose bevestigden:
    • bloeddrukmedicatie
    • cholesterolverlagende medicatie (werkt wel enkel op de ‘slechte’ cholesterol)
    • medicatie om de diabetes aan te pakken.

WIE KAN JE HELPEN?
Zoals in de inleiding al gesteld, kan de arbeidsarts helpen om de risicofactoren op te sporen. Wanneer hij bij een werknemer een te hoge bloeddruk meet en die werknemer tegelijkertijd een te hoge buikomtrek heeft, dan zal er al een alarmbelletje afgaan. Een bloedname is dan aan te bevelen. De arbeidsarts zal de werknemer hiervoor echter naar de huisarts sturen. HDLcholesterol, triglyceriden en nuchtere glycaemie (bloedsuiker) moeten uitsluitsel geven. Eens de diagnose gesteld, hangt veel af van de discipline van de patiënt zelf. Een diëtiste en een goede sportinstructeur kunnen een nuttige aanvulling zijn. Centraal in de behandeling blijft echter de huisarts staan.

WAT HEBBEN WE VANDAAG GELEERD?

  1. Het Metabool Syndroom, een cluster van risicofactoren op hartvaatziekten en diabetes, komt heel vaak voor in de algemene bevolking.
  2. De arbeidsarts kan zeker zijn steentje bijdragen in de opsporing en de preventie van het syndroom.
  3. De patiënt zal zelf de handen aan de ploeg moeten slaan als het over de behandeling van het probleem gaat.

 

CLB Group
Industrieterrein Kolmen 1085
3570 Alken
GPS-adres: Stationsstraat 108
011 31 23 41
011 31 45 67
Volg ons op